Vandaag gaat het over Siberië.

Lang niets van gehoord sinds er geen Sacharov’s meer zijn om de toestand in die wereld te beschrijven. Maar ineens is dit verre werelddeel er weer, op radio en tv, en veel meer op de enige echte media die we nog hebben, de sociale. Er schijnt een beer uit Siberië onderweg te zijn (wat hebben weermannen anders aan extra’s dan met grote regelmaat beren op de weg te zien en die beer met groot enthousiasme te omarmen?). Deze heeft de adem van een ijselijke wind en de huid van bevroren ruiten, sloten, ondergelopen weilanden, meertjes en grachten en, je weet maar nooit, Friesche vaarten. De beer doet er helaas een beetje erg lang over zodat de late febr

uarizon de kans krijgt om de ijspret nog te bederven, maar ergens dit weekend, of zeker volgende week, moet het toch wel gebeuren dat een paar miljoen bejaarden het ‘vriesadvies’ krijgen om binnen te blijven en dat honderdduizenden klimaatsdooi-kinderen voor het eerst een fenomeen te zien krijgen dat net zo uitgestorven leek als de reuzenrivierkreeft schildpad: natuurijs. En eerlijk is eerlijk: toen we ooit op een stralende winterzondagmiddag de Hollandse gezinnen en masse zagen krabben en krioelen op het ijs van een zonovergoten duinwed, wreven we elkaar van puur geluk de koude handen warm. Van mij mag hij komen, die beer. Als-ie maar gauw ook weer weg gaat.