Vandaag gaat het over rechtvaardigheid.

Wie in zijn leven ‘recht wil varen’ zal zich in duizend-en-een omstandigheden afvragen: wat kan ik doen? wat moet ik doen? En elke keer zal het besluit gefundeerd zijn op een combinatie van argumenten en gevoel. Vaak in een split second. Je fietst haastig naar een afspraak, want al te laat, en vlak voor je glijdt een vrouw op het ijzige wegdek onderuit. Je directe belang zegt je door te rijden, ook al omdat je al vaker te laat op je werk bent gekomen, een omstandigheid die de omstanders op de stoep, als ze jou tot hun ontzetting gewoon zouden zien wegrijden, niet kunnen weten. Je geweten zegt je met onweerlegbare onmiddellijkheid dat je de plicht hebt te stoppen en te helpen. Je handen knijpen als het ware als vanzelf in de remmen. Maar ook zijn er je ogen die mensen zien op de stoep die al komen aangesneld. En dan? Je vaart niet recht maar fietst met een boog om de vrouw heen en loopt de kans dat je de hele dag (en wie weet je hele leven als je in de krant leest dat ze is overleden) last hebt van je geweten, dat stoplicht in je hoofd dat feilloos registreert of je door rood ging of niet. Of je stapt af, helpt haar overeind, zet haar stuur recht en komt alweer te laat op je werk, met haar dankbare glimlach nog in je ogen. Zo bezien is rechtvaardig handelen de plicht om hen die vallen te helpen opstaan, geholpen door het recht dat jij, mocht je zelf onderuit gaan, ook op hulp mag rekenen.