Vandaag gaat het over arbeid.


Karl Marx, de even beruchte als beroemde 19de eeuwse schrijver van Het Kapitaal en Het Communistisch Manifest, was van mening dat mensen geboren zijn om dingen te willen doen en maken. Je hoeft geen groot wijsgeer te zijn om dat te beamen. Maar we zijn ook graag lui. Hangen in de ‘luie’ stoel, middagdutje op de bank, uit de zon onder de parasol, met een drankje op het terras, lekker lang in bed. Nu is de een van aard luier dan de ander. Maar het fundamentele verschil tussen doen en niet-doen is toch arbeid. Zodra dat wat we doen en maken moet, is het arbeid. En ofschoon we graag toegeven dat arbeid zin en richting geeft aan ons leven, en ofschoon we allemaal weten dat werk brood op de plank brengt, had Marx geen ongelijk toen hij ook wees op het belang van vrijheid. Als de baas een hond is, of het werk een straf, als de arbeid ons ver weg brengt van wie we zijn, als we ons in de baan gemaltraiteerd voelen of we merken dat men van ons excessief profiteert, worden we onvrij, een (loon)slaaf. Noem het de valkuil van het kapitalisme, met de excessen waarvan we dagelijks worden geconfronteerd. Onze juffen en meesters volgen de filosoof: ze werken graag, meer wel met minder druk.