Vandaag gaat het over daluren.

De Hermitage in Amsterdam heeft van haar zus in St. Pete

rsburg een fors aantal Hollandse Meesters te leen gekregen, waaronder een paar uitzonderlijk mooie Rembrandts. Vanaf het Centraal Station wandelen we over de Zeedijk richting de Amstel. We banen ons een weg door hordes, merendeels jonge, buitenlandse toeristen. Hoe kan dat op 1 november? Herfstvakantie! Niet hier, maar in Duitsland en in Engeland, horen we. Met vliegtuigen tegelijk zijn ze in onze arme hoofdstad neergestreken en proberen nu op deze bewolkte herfstmorgen amechtig in te zien wat hen zo trok. Daarbij hoort niet een museum. Na honderden hoofdtooien, oogwallen en rugzakken lopen we de Hermitage in en treffen uitsluitend witgrijze hoofden, keurige jasjes en dito rokken. Maar ook hier in hordes, hoewel beschaafd en oud, dat vooral. Slechts bij hoge uitzondering zien we iemand van onder de zestig als we ons manmoedig maar voorzichtig door de rijen voor de schilderijen proberen te wurmen om een glimp op te vangen van wat Catharina de Grote en haar kompanen eens uit Holland naar hun Russische Rijk hebben gesleept. Heel het vrijgestelde Nederlandse pensioenleger, zo voelt het, heeft de daluren kaart en museum jaarkaart in stelling gebracht om zich te laven aan dat wat ons ooit groot maakte. Stilzwijgend bewonderend staan we met z’n allen op elkaar gepropt stil bij onze wereldkampioenen schilderen. Dan in de rij voor een lichte lunch en op vele tafels al eerste wijntjes. Vervolgens tevreden terug treinen naar huis. Daar kwast, in de persoon van een vakbekwame Witrus, de winterschilder.