Vandaag gaat het over jongens.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw renden we de straat uit, sprongen over de sloot en ragden door het weiland, zijnde de kortste weg naar de Mooie Nel waar we in konden zwemmen. Op de terugweg struinden we expres door de Nagtegaalstraat om te zien of er jongens rondhingen die we tot 'onze vijand' hadden verklaard, wat ons permissie gaf ze te slaan en te schoppen als ze met minder waren. Thuis pakten we de bal en bezetten we de straat voor een razend potje stoepvoetbal met drie tegen drie. Om nog meer honger te krijgen en de laatste energie uit onze magere lijfies te persen, zochten we om de hoek de lange muur van de fabriek waar we de bal 100, 200 of 300 keer tegenaan knalden, zo precies mogelijk mikkend op een met krijt gekalkte cirkel. En als het na het eten nog licht was, pakten we onze tot zeepkist omgebouwde oude kinderwagen en benutten de volle breedte van de Reigerstraat voor een wedren met andere zeepkisteigenaren uit de buurt. We waren jongens die jongens waren.