Vandaag gaat het over gras.

Ik ga goed op gras. Als kind kon ik uren in het malse gras langs de sloot liggen, kijkend naar de overzeilende Hollandse wolken. Waar zij heen gingen, wilde ik ooit zijn. Als jongen was er niets mooier dan een lentedag met een leren voetbal, doorschietend in vers gemaaid, nat geurend gras. Of met je eerste meisje op het grasveld bij haar huis, achter een rozenstruik in onwennige omstrengeling. Allebei zo groen als gras, maar toch. Ooit legden adel en rijken gras om hun huis om te laten zien hoe goed ze het hadden. Gras als luxe, groeiend op grond waar geen aardappels in hoefden. Nu heb ik door omstandigheden 15.000 vierkante meter gras rond een Provençaalse

boerderij en zit ik uren in de zon op de tractor, maaiend in lange, rechte stroken, mijmerend over al het grasleven dat de messen achter mij weg zeisen, oppassend dat ik op tijd en voldoende buk voor de lage takken van de appelboom. Wie in zijn eigen maaier valt, is zo gezien. Onder de zoden, noemen we dat. Ook gras.