Vandaag gaat het over lijden.

De buurman staat aan het hek, 72 jaar oude benen in een korte spijkerbroek, zes eieren van zijn kippen in een doosje in zijn hand. Voor ons, vanwege het hout dat hij van de winter uit ons bos zaagde en in een prachtige stapel op zijn terrein kloofde. En weer, net als de andere keren, vertelt hij het verhaal van zijn vrouw die honderd meter van ons vandaan al jaren met voortschrijdende ALS op bed ligt. Hoe hij haar draagt naar de stoel en de pot en terug, hoe hij moet toezien dat ze geen woord meer kan zeggen, geen geluid meer kan maken, geen duim meer kan opsteken, hoe zelfs haar oogleden niet meer kunnen zeggen wat ze voelt of vindt. Terwijl ze alles begrijpt, zegt de dokter. Af en toe huilt ze, zegt hij, lopen de tranen over haar wangen, maar we weten niet of het verdriet is. Vier jaar lang al kan hij geen minuut van huis zonder dat iemand anders bij haar is. Ik klaag niet, zegt hij, ik word niet boos. Het helpt niet, het is zoals het is, deze gevangenis. In een impuls leg ik over het hek mijn hand op zijn schouder. Mijn vrouw en ik, zegt hij, we leven ieder aan een kant van een muur. Ze kan me niet meer bereiken, niemand meer, nooit meer, zo lang ze leeft. Hij zucht, geeft me mijn hand terug, draait zich om en loopt weg, zacht in z'n Marseilles

Frans voor zich uit mompelend tegen zijn hond.