Vandaag gaat het over knus.

Ik hoorde het woord op de radio. Buiten sloeg de laatste aprilhagel tegen de ramen; ik trok het dekbed tot onder mijn kin en ik dacht: ja, knus. Knusser nog zou het zijn als mijn vrouw nu poezelig tegen me aan kroop met medeneming van een door haar al gezet kopje thee, maar zij heeft een vroege afspraak bij de kapper. Ik knus dus alleen verder en denk terug aan het smalle straatje van mijn jeugd waar je met je bal, staande op de ene stoep de andere probeerde te raken. Best knus was dat. Als jongen stond ik daar ook gretig de overbuurmeisjes te bezien die zich onbespied wanend bij de warme kachel stonden te wassen. Echt knus. Op school leunde de juffrouw van de tweede klas warm over me heen en nam mijn hand in de hare om me te leren hoe met rechts te schrijven in plaats van met links. Super knus. Op de trekhond van mijn vader zaten we schouder aan schouder op de boterkist te wachten tot het ophield met regenen en we door konden gaan met melk verkopen. Koud, maar knus. Met je meisje achterop je fiets in de zon over de Amsterdamse grachten, op weg naar je kamer. Hoe knus is dat!? Dat het altijd blijven mag.