Vandaag gaat het over regen.

Ik kan goed tegen regen. Hollandse jongen. Veel in de giet gevoetbald. Veel in de pleur gefietst. Veel in de zeik de huisvrouwen geholpen in de melkwijk van mijn vader. Veel in de miezer naar school gelopen. Veel in de hoos boodschappen voor m’n moeder gedaan. Veel in de plens m’n meisje van de maand naar huis gebracht. Veel in de druil van het strand gevlucht. Veel in de pis voor de krant op pad. Veel in bed wakker gelegen van het tikken op het zolderraam. Vaak kwam het in mijn leven met bakken uit de lucht. Soms leek het alsof het met emmers tegelijk uit de hemel op ons werd uitgestort. Het regent pijpenstelen, zegt een Hollander duizend keren in zijn leven als hij drijfnat het huis binnenstapt. Wat de Eskimo’s hebben (maar voor hoe lang nog?) voor sneeuw, hebben wij voor regen: uitdrukkingen en werkwoorden die tot in de haarvaten duidelijk maken wat het is. Een vorm van volmaakte aandacht die het directe gevolg is van de aanwezigheid in ons leven.