Vandaag gaat het over vader (3)

Mijn vader trok de brommer van me af en ging met zijn rug tegen de gehavende stam zitten. In het zwakke licht zag ik zijn gezwollen gezicht. Het leek wel of het overal bloedde. Hij knoopte zijn leren jas open en haalde een zakdoek tevoorschijn. Met zijn andere hand trok hij me zachtjes naar zich toe, liet me tegen zijn wollen jasje leunen en bette voorzichtig mijn lippen. Toen sloeg hij zijn armen om me heen en wiegde me. Mijn vader wiegde me! En heel zachtjes binnen in zijn mond vol bloed hoorde ik hem neuriën. Hij drukte zijn grote hoofd tegen het mijne en ik proefde het zout van de tranen die over zijn wangen stroomden. Veilig voelde ik me, veiliger dan ik me ooit had gevoeld. Heel mijn lichaam deed pijn, mijn lippen brandden van de sneden en ik was door- en doornat, maar het grote lichaam van mijn vader vertelde me: ik zal je warmen, het komt goed. Toen het ergste schokken en trillen voorbij was, kropen we overeind en gingen op weg. Al die tijd hadden we niemand gezien. Een paar honderd meter liepen we over het pad, tot we bij een halte kwamen waar we konden schuilen tegen de stromende regen. Na een koud en ellendig kwartier kwam de blauwe tram van Amsterdam naar Zandvoort hel verlicht uit het duister aanrijden. Uit een kast haalde de trambestuurder een cape die hij om me heen sloeg. Mijn vader kreeg een krant om op te zitten. Zo rammelden we knie tegen knie door het donker naar Haarlem. ‘Niet janken Fer, nu niet meer janken,’ zei mijn vader. Maar ik kon niet ophouden. En hij neuriede niet meer.