Vandaag gaat het over vader (2)

Op een gure novemberavond waren mijn vader en ik naar Amsterdam getuft om een nieuwe klant te werven. Dikke pech. Verkeerd adres. Koppig als altijd belde hij aan bij wel tien andere huizen. Maar nee, niemand stond op punt van verhuizen naar Haarlem-Noord. En nee, ze kenden ook niemand die dat wel ging doen. Uiteindelijk gaf hij op. Ik kreeg een grote kop hete chocolademelk bij de kachel in het koffiehuis en daar gingen we weer, 25 kilometer in woeste wind en regen terug. Het gebeurde op het lange, lege stuk langs de uitgestrekte weilanden tussen Amsterdam en Halfweg. Twee meiden op de fiets kwamen ons in volle vaart met de harde zuidwester in hun rug tegemoet. Mijn vader minderde al vaart, maar net toen we hen passeerden slingerde er eentje onverhoeds naar onze kant. In een reflex gaf mijn vader een ruk aan het stuur om haar te ontwijken. De brommer gleed op de natte klinkers onderuit en we schoven met een doffe dreun tegen de stam van een boom. Het voorwiel sloeg om en het stuur stak vol in het gezicht van mijn vader, die met zijn hoofd achterover schoot, keihard tegen mijn mond. Het bloed spoot aan alle kanten uit onze gezichten. Ik voelde dat mijn tanden door mijn onder- en bovenlip waren geslagen. Ik wilde schreeuwen maar ik kon niet, want mijn vader lag kreunend en vloekend boven op me. Tegen de tijd dat hij moeizaam overeind was gekrabbeld, was hij stil. Van de meiden geen spoor. Ik lag op mijn rug in het moddergras, nog half onder de bromfiets. Boven me huilde de wind door de kale takken.