Vandaag gaat het over vader (1).

Midden jaren vijftig kreeg elke melkboer een vaste wijk met klanten toegewezen. Zo hoefde mijn vader niet meer op z’n ouwe brommer op pad om nieuwe klanten te ronselen. Dat ging als volgt. Zodra hij hoorde dat een klant ging verhuizen, probeerde hij er achter te komen waar de nieuwe bewoners vandaan kwamen. Aan het eind van een werkdag sprong hij op z’n oude brommer om de nieuwelingen uit Beverwijk, Alkmaar, Lisse, Den Haag of waar dan ook te verrassen met zijn verschijning aan de deur. Totaal verbouwereerd probeerden ze hem soms buiten af te poeieren, maar was mijn vader eenmaal binnen en uit zijn zware leren jas, dan kon je er van op aan dat hij koffie kreeg en toestemming om te roken. Binnen een half uurtje was de klant gezwicht voor zijn natuurlijke charmes en aanstekelijke verhalen en kon hij een nieuwe naam in z’n klantenboekje noteren. Af en toe mocht ik met hem mee, achterop de brommer, schuilend tegen de wind in zijn brede rug. Als uitje. ‘Heeft die jongen ook wat,’ zei mijn moeder. Geweldig vond ik het dat mijn vader daar voor mij op die bijna versleten knalpot vaak luidkeels zat te zingen! Hoe koud de wind ook was. Italiaanse liedjes, ‘Mamma’ van Robertino, en Gregoriaans zong hij het liefst. Of hij floot. Dan ging ik op de trappers staan zodat ik net boven zijn schouder uitkwam en dan riep ik in zijn oor: ‘Pap, je bent een melkboer, geen slagersjongen.’ En dan lachten we allebei, elke keer maar weer. Zo rommelpotterden we samen door de Bollenstreek, de Zaanstreek, de IJmond en naar Amsterdam.