Vandaag gaat het over neus.

Een grote ergernis in het moderne burgerleven is de reuk van de hondendrol. Nee, fout, moet zijn: de weerzinwekkende geur van de restanten van die drol, geïmpregneerd in je huiskamertapijt aan de ene kant, en het reliëf van je winterschoen anderzijds. Ik ruik nog de bloemen in het gras aan het eind van onze straat, waar we als jongens op onze rug lagen te kijken naar de blauwe lucht, uithijgend van onze lijf-aan-lijf gevechten. Ik ruik nog de kaas in het Volkswagenbusje van mijn vader, waarmee hij in de vroege jaren zestig langs de nieuwbouwhuizen van Amsterdam-West trok. Ik ruik nog het zoete zweet in mijn moeders hals als ze mij met armpje drukken versloeg na een was van tien personen door de handwringer. En ik ruik nog de scherpe geur van urine uit de geel gevreten onderbroeken van mijn voetbalmaatjes in de kleedkamer van Onze Gezellen Pupillen-A. Mijn neus wees me de weg naar m’n eerste meisje, zacht met haar neus tegen de mijne op de dansvloer, Love Me Tender in onze ogen. Mijn neus is niet meer wat hij geweest is. Veel jeuk, vaak droog, en, net als mijn oren, onderweg om groter te groeien, zo lijkt het. Maar met de reuk is nog niks mis. In het bos stap ik uitsluitend in oude drollen waar de geur van af is.


  • Facebook B&W