Vandaag gaat het over onwetendheid.

Wat zijn onze kansen na de dood? Wie met vrienden praat, stuit onvermijdelijk een keer aan een tafel op deze grote vraag. De meesten weten zeker: er is helemaal niks. Uit, over, finito. Een enkeling vindt dit te kort door de bocht en voelt wel iets voor reïncarnatie. Je ziel komt terug, maar je weet het niet. Een durfal poneert vastberaden: ik heb me voorgenomen om te geloven. Het kan toch niet zo zijn dat het zomaar eindigt? Het gesprek gaat een spade dieper. Wat nu, als uitgerekend de onverzadigbare zucht naar weten die ons leven in toenemende mate beheerst, onze zondeval is? Wat nu, als het paradijs van Adam en Eva een paradijs van onwetendheid was? Een zalige staat, die we kwijt raakten met de beet in de appel. Ja, maar naar de tuin van onwetendheid is geen terugkeer mogelijk, brengt iemand in. Klopt, maar toch, als we zouden kunnen accepteren dat we in de bron onwetend zijn, dat het voor ons als mens bedoeld is om over de antwoorden op de grote vragen onwetend te zijn en te blijven, is dat dan niet een weg naar de rust die we zoeken om kalm ons einde tegemoet te zien? Niet in wurgende onzekerheid, maar in vredige onwetendheid over onze eindbestemming, wat die ook mag zijn.