Vandaag gaat het over wensen.

Wij wensen jullie van harte een fijne Kerst en een gelukkig en gezond Nieuwjaar. Onze wensen bereiken jullie deze keer, voor de eerste keer, digitaal. Het is, zelfs door ziekte en indringend grootouderschap geëxcuseerd, toch even een stap. Na de Kerstzang en de Nachtmis verdwijnt nu ook het heilig ritueel van twee stapels op tafel, links de enveloppen en rechts de kaarten, met naast elkaar twee ijverig schrijvende mensen (’Ik doe de enveloppen wel, doe jij dan de kaarten, jouw handschrift is mooier’), het likken van de kerstkortingszegels van mevrouw Verhagen, en de vertrouwde plof in de oranje bus, doffer naarmate er meer familie en vrienden waren om aan te wenskaarten. Waarna we op bont gevoerde laarzen tevreden gearmd de licht beijzelde weg terug gingen, naar het huis dat op afstand al gloeide van kaarsjes (‘Zou jij die niet uitblazen?’) en lichtjes. Misschien, zo bedenk ik me nu, in m’n eentje wensend achter de computer maar natuurlijk wel mede namens mijn vrouw, gaan we jullie volgend jaar toch weer gewoon schrijven en sturen. Een warme, roodbruine kaart met engelachtige kinderen en een licht moralistische tekst. Zo van: ‘Vrede moet je blijven wensen, want de wens is de voedster van de vrede.’