Vandaag gaat het over Cuba.


Fidel is niet meer. Het land kan zonder. Vijftig jaar heeft de 'fidele' zijn Grote Gelijk door de strot van zijn volk geduwd, ook toen het al lang niet meer houdbaar was. De Cubanen verdienen beter, goedlachs, muzikaal en sociaal als ze zijn. We trokken er vier jaar geleden met de auto doorheen. 'Zodat we nog net het oude Cuba konden zien.' Wat een koloniale valsigheid eigenlijk. Hun armoe, ons plezier. In Havanna zagen we honderden meisjes in een lange rij staan wachten. Op de hoek was een armoedig rolluik omhoog gegaan. Daarachter een winkel vol slippers. Net binnen gekomen! Een buitenkansje! In Santiago de Cuba stond een geweldige band te spelen in een donker, kaal lokaal. Wij naar binnen. Een lieve rasta met dreadlocks in gevechtstenue vroeg mijn vrouw met een knikje te dansen en wrikte haar Hollandse heupen los met zijn soepele salsa. Zijn meisje, een kop groter dan ik en een en al blote ronding in haar witte jurk, lachte me toe, klemde me aan haar borsten en zwiepte me door de zaal. Telkens zag ik mijn vrouw in een flits aan de rasta hangen en ontdekte zij mij diep verscholen in het wit. Chagall had er iets heel moois van kunnen maken. 'Zoudt u een flesje cola voor ons willen kopen?' vroeg het paar bij het uithijgen. Moge Cuba van de Cubanen worden. Er is al Amerika genoeg.