Vandaag gaat het over mondhygiëniste.

Er is geen vrouw buiten mijn huis aan wie ik zo vaak denk als aan mijn strenge meesteres, de mondhygiëniste. Elke dag tenminste twee keer, meestal drie. Vanwege een mondflora die tandsteen voedt, moet ik vaker en beter poetsen dan anderen, zes seconden elektrisch per tand, tand voor kies, 32 keer, ook de achterste, juist de achtersten. 'Ga in je bed zitten en neem de tijd, elke keer weer,' heeft ze gezegd, en ik moest het betere poetsen ter plekke bij haar oefenen, zodat ik nu niet anders kan dan ritmisch mimen 'Marjon, Marjon, Marjon', elke keer als mijn borstel bij een nieuwe tand aanlegt. Natuurlijk houdt een weldenkend mens een dergelijke discipline niet vol, met als gevolg dat ze ondanks haar gestrenge blik regelmatig met hamer en beitel mijn mondholte moet attaqueren waarbij niet zonder mijn schande het bloed op haar plastic maskertje spat. Ik bewonder haar inzet, haar vakmanschap en de volharding waarmee zij haar onwillige patiënten de juiste richting wijst. Dus poets ik deemoedig, een ijverige leerling met een juf op afstand en haar aanwijzing heel dichtbij, nasuizend in mijn oor: 'Vergeet je niet te ragen? Acht keer per holte, niet even snel, maar zo, met lange halen.' En ze doet het voor voordat ze de deur achter je sluit.