Vandaag gaat het over staat van zijn.

Mannen, weet mijn vrouw zeker, hebben als rationele wezens vooral oog voor hun staat van geest. Niet dat hun staat van zijn ze niet interesseert, maar het lijf moet de geest blindelings volgen, vinden ze, het lijf moet het gewoon doen. Punt. Natuurlijk weten mannen dat dit niet altijd opgaat. Natuurlijk weten ze, als de werkstress ze door de keel giert en financiële of echtelijke problemen ze boven het hoofd groeien, dat ook hun lichaam daaronder lijdt. Maar weten is nog iets anders dan voelen en de consequenties accepteren. Mannen, aldus alweer mijn vrouw tijdens de wandeling, zijn meesters in ontkenning. En ze memoreert nog maar eens de tijd dat iedereen om mij heen wist hoe overspannen ik was, behalve ikzelf. Dat zij, die mannen, niet naar de waarschuwingen van hun lijf luisteren, dat ze niet naar de dokter gaan, dat ze bij de minste hapering boos kunnen zijn op hun eigen lichaam, en dat ze verontwaardigd en teleurgesteld zijn als ze na hun vijftigste ‘ineens zomaar’ sneller moe worden, ‘dat zouden ze eens moeten afleren,’ roept mijn vrouw. En ze gesticuleert druk met armen en handen terwijl ik stoïcijns toekijk. ‘He toe, reageer nou eens,’ smeekt ze. ‘Veel meer aandacht op school voor voelen en aanraken bij jongens, dat zou al enorm helpen. Toch?’ En ze kijkt me vol vertrouwen aan. Ik voel met haar mee.