Vandaag gaat het over strand.

Op het strand van Parnassia bij Bloemendaal mogen zomers ook honden. Dat is niet aan dovemans oren gezegd. Mens en dier laten daar zien hoeveel vrijheid een mooie stranddag hen biedt. Met tientallen tegelijk bestormen de viervoeters uitgelaten de branding, besnuffelen ze elkaar en bespringen ze luid blaffend hun baasjes als die niet snel genoeg voor de honderdste keer de bal in zee werpen. Vanuit de luie strandstoel is het heerlijk observeren. Als manlief moe geworpen languit op de handdoek gaat met zijn ruiten overhemd over zijn al fiks verbrande schedel, vlijt Bello zich nat en hijgend naast de stoel van de bazin en kijkt haar verlangend aan, met zachte bruine ogen die smeken om een koekje en een aai over de hondenbol. Vrouwlief tikt haar man aan, die zich moeizaam op zijn armen onder zijn overhemd uitwerkt en ze wijst hem op Bello: is-ie niet aandoenlijk? ‘Ja doch,’ hoor ik hem met hoorbare tegenzin bassen, waarna hij zich gauw weer te slapen legt. Hondloos richt ik mijn blik op het volgende stel met de volgende hond. Dertig graden, zand, zee en zon: never a dull moment.