Vandaag gaat het over terrassen.


We waren in Apeldoorn, we waren in Amersfoort, we waren in Haarlem, in Delft, we waren Nederlands onder de Nederlanders en die zitten tegenwoordig tussen de hoosbuien door stoïcijns op hun terrassen met een massaliteit waar je eng van wordt. De gehele middeleeuwse dieudonne binnensteden zijn vergeven van de stoelen in vooral de lelijke kleuren van de regenboog. Stoelen, die nog het treurigst stemmen als ze en masse leeg staan te zeiken van de giet, en dat is vaker dan dat ze rondkontig bezet worden door het vrijgestelde bejaardendom aan de ene kant van het plein, en onze lieve, lieve jeugd aan de andere, strikt gescheiden, want soort zoekt soort. Onze stranden meerekenend schat ik dat er in ons land onder het klimaatveranderd wolkendek van deze nepzomer een 20 miljoen terrasstoelen staan, waarop de bezetters innig tevreden in het rond, naar elkaar, naar het koekje naast hun koffie en het citroenschijfje in hun spa kijken, bediend door een leger van steeds jongere jongeren die voor 6 euro per uur en een jodenfooi (mag dat woord nog?) het geld verdienen dat ze de volgende dag, op diezelfde stoelen, weer uitgeven. Moderne economie.