Vandaag gaat het over schilders.

In ons land roemen we de Poolse. Wij hebben er drie. Ze rijden om half zeven van huis weg, beginnen om zeven uur, schuren en schilderen tot zes uur door. Zaterdag tot drie uur. Ze zijn jong, sterk en blij. Blij dat ze werken. Een van de drie duikt na die elf uur bij ons elke avond zijn garage in waar hij auto's repareert, reviseert en spuit tot ze blinken als nieuw, liefst Lamborghini geel.

Op zondag rust hij uit en drinkt hij bier. 'Maar dan word ik juist moe,' lacht hij. Elk naadje in de ramen en deuren van ons huis bekijkt hij van nabij. Het minste scheurtje, gaatje of deukje wordt zorgvuldig gerepareerd. Boven een stukje rottend goot klimt hij op het dak en sluipt heen en weer als een panter, neus op het bitumen, gulzig op zoek naar het lek. Over de kleuren die we moeten kiezen heeft hij met zijn 26 jaar uitgesproken meningen 'Nu saai', roept hij monter eigenwijs, 'moet meer contrast. Kijk eens, wat een kleuren,' en hij kletst een staal van anderhalve kilo keuze op tafel. Meteen toont hij een foto van de Poolse familieboerderij, 200 kilometer ten zuiden van Warschau. Het dak is felrood, de muren rondom hard geel. Tja, met alle liefde en begrip, maar de kleuren kiezen we toch maar zelf: page blanche voor de muren, soft white voor het hout en een zacht stralende mauve voor het staal. Hij kwast het er met evenveel inzet en plezier op.