Vandaag gaat het over honden (1).


Ik heb het moeilijk met honden. Meestal vanwege de eigenaar. Ooit had mijn dochter een Australian Shepherd die zo extreem lief en mooi was en zo onwaarschijnlijk zacht uit z’n ogen keek, dat het onmogelijk was niet van hem te houden. Ook al omdat hij niet blafte. In deze buurt is dat wel anders. Direct om ons huis heen tellen we een dertiental honden, soms wel drie per adres. Zo van: twee opgewonden kleine keffertjes wiens keelklankjes in je oren snijden voor de gezelligheid op de bank en een bullebak tegen de inbrekers aan het hek. Dat die geen onderscheid maakt en dus elke wandelaar, krantenbezorger en pakketbrenger voor crimineel aan ziet, is dan jammer. De eigenaren van het gevaarte zijn elders aan de slag, en de buurtgenoten die thuis werken, uitslapen of in de tuin van de zon willen genieten, zijn de klos. Extra zielig is het om te merken dat de kolossen zelden of nooit worden uitgelaten (geen tijd, geen zin, te groot, te sterk) en dat laten horen middels een nooit meer ophoudende eenzaamheidsblaf. In mijn computer staat een brieftekst waarin ik namens het Actiecomité BAB (Buren-Anti-Blaf) de hondeneigenaren om mij heen oproep zowel hun schootzittertjes als vervaarlijke gevaarten binnenshuis te houden. Ik heb de brief nooit durven verspreiden. Bang om voor ouwe zeur te worden uitgemaakt. Gisteren liep ik door het park om brood te halen toen twintig meter voor me uit een jong stel hun reuzenbeest achteloos van de lijn haalde. Met drie enorme sprongen was het bij me. Ik schrok me wezenloos. Twee poten op mijn jas en een natte snuit in m’n gezicht later was de man bij me om me te redden. ‘Raar dat u niet van honden houdt,’ was zijn excuus. Minder Hond Mag.