Vandaag gaat het over grenzen.


In de media is er de afgelopen tijd volop discussie over de positie van grootouders ten opzichte van hun kinderen en kleinkinderen, met name in de rol van oppas. Met zes kleinkinderen en hun vier volop arbeidzame vaders en moeders zitten mijn vrouw en ik er middenin. We lezen over oma die aan het kraambed zit ('Mijn dochter heeft me nodig'), over opa die het huis schildert ('Mijn zoon heeft het te druk'), over mede-babyboomers die schuldbewust over hun eigen geluk (ruime studiebeurs, volop werkgelegenheid, constante groei) ook financiële steun bieden ('Die kinderen hebben het echt niet breed'). Dit alles naast de taak als vaste oppas of invalkracht. Op de schoolpleinen zie je niet zelden meer opa's en oma's op hun bloedjes van kleinkinderen wachten dan ouders. Geregeld bespreken we als opa en oma de voors en tegens van onze positie. Is die goed? Ja, want je bent dichtbij en betrokken. Is die fout? Ook, want je bent dichtbij en betrokken. Wat telt is de grens. Wat steeds weer helpt, is het goede gesprek. Met elkaar, met je kinderen. Daarvoor zijn lachende, knuffelende, spelende kleinkinderen een ideale aanleiding.