Vandaag gaat het over oud zijn.


Ik heb het er niet zo op. Het kan alleen maar minder worden. Een paar keer per week beloop ik Rollator Avenue, de weg van Albert Hein naar het bejaardenhuis aan het begin van mijn straat. De zware tassen dienen als gymnastiek. Een oude dame met kek bontmutsje zet haar rode rollator dwars op het voetpad en spreekt me aan. 'Hoe oud bent u?' Ik kijk naar twee sprankelend blauwe ogen in een schitterend gerimpeld gezicht. Ze stoot me zachtjes in m'n buik met de achterkant van haar linkerhand. Dat zal ze elke keer doen als ik probeer iets te zeggen. 'Ik ben 89. Ik loop van hier in 20 minuten naar Caprera. En weer terug. Elke dag. Mijn man was 66 toen hij een herseninfarct kreeg. Bam! Ik heb hem na 14 dagen uit het Lucas gehaald. Ik heb elke dag voor hem getekend, stoelen, schilderijen aan de muur, de deur, net zo lang tot hij het onthield. Pap, zei ik in bed, na zes maanden. Weet je nog hoe ik heet? Nee, schudde hij met z'n hoofd naar beneden. Weet je wel dat ik bij je hoor? Ja, knikte hij blij. Ik heb hem nog 15 jaar gehad. Hij heeft nog auto gereden. Totdat we allebei tijdens het rijden onder het raam doken als er een vliegtuig laag over kwam. Dan gaat het niet meer. En nooit bonje, geen dag.' En zo gaat ze door. Met elke keer die handrug tegen m'n buik. Ik bekommer me niet langer om wat ze vertelt, maar geniet van haar esprit. 'Nou dag, zie ik u nog eens?'