Vandaag gaat het over zwemles.


Het is vier uur ’s middags en al bijna donker. De lichten van honderden auto’s weerspiegelen in het asfalt dat zwart is van de giet. Achterin de auto knaagt Eva van vijf op een Wilhelmina pepermuntje. Ze wil niet naar zwemles, maar ze moet. Voor ons ligt ineens een vrouw midden op een kruispunt op de grond naast haar fiets. En man gebaart wild dat we er niet omheen mogen. Terug dus, smalle straatjes vol drempels door, zoekend naar een uitweg die naar het zwembad leidt. Tientallen moeders bespreken daar in het restaurant trots tot in detail de vorderingen van hun kinderen. De enkele vaders zitten gebogen boven hun I-phones. Niemand drinkt iets. ‘Het zwemmen is al duur zat,’ hoor ik een vrouw zeggen, terwijl ze onvermoeibaar de maxi cosi met haar volgende wiegt. Alleen de oma’s nemen de moeite om hun neus tegen de ruiten te drukken om hun kleinkinderen te zien spartelen. Vorige week stortte Eva zich in de stad met haar fiets van een bruggetje, recht op het inktzwarte, ijskoude water van de gracht af. Op het allerlaatste moment viel ze als door een wonder op de grond, net nog op de rand van de kademuur. Elke week zwemlessen in NL waterland een paar honderdduizend kids. Opdat ze niet verdrinken.