Vandaag gaat het over Sinterklaas.


Sinterklaas staat voor onze staat van geest. In de jaren vijftig zaten we warm en onschuldig om de kachel met de bloemen op de ruiten en de teil waarin we elke zaterdag werden gewassen, in ons midden. Daaruit mochten we om beurten acht gummetjes, acht potloden, acht kleurboeken, acht chocolade letters en acht dropveters vissen. Omdat we nou eenmaal met z’n achten waren. De teil was aangedragen door een pikzwarte Piet met een enorme rooie mond en een schrille, harde stem die ik onmiddellijk als die van Vrouwie, onze werkster, herkende. Jaar na jaar had Sint geen tijd voor ons, moest hij armere kindjes bezoeken, maar had hij in zijn oer-katholieke goedgunstigheid zijn opper-Piet afgevaardigd. Vrouwie dus, de noeste schoonmaakster die zomers onder luidkeels gegil en met zichtbaar plezier mijn moeder over straat met de bezem achterna zat. Louter om de buurt op stelten te zetten, de naburige huisvrouwen iets om over te praten te geven en daarmee de moordende monotonie van het huishoudelijk werk te doorbreken. Vrouwie en mijn moeder zijn dood. Sinterklaas niet. Nog niet. Nu we zijn Piet hebben schuldig verklaard en de wacht aangezegd, weten we ook niet meer zo goed wie en wat Sinterklaas eigenlijk is. We mogen wel oppassen. Maar morgenavond nog even niet.


  • Facebook B&W