Vandaag gaat het over fietsen.

In de auto kom ik bijna dagelijks fietsers in de regen tegen. De meesten zonder regenpak. Met de kop dwars in de wind trotseren ze de elementen. Zeiknat, drijfnat, kletsnat, doornat of gewoon nat komen ze aan. Als honden schudden ze zich de druppels van het lijf, boenen hun haren met een meegebrachte handdoek, hangen hun druipende jas aan een kapstok boven een radiator, wringen de onderkanten van hun broekspijpen nog eens extra stevig uit en betreden monter en fris hun werklokaal. Helden vind ik ze, mietje als ik ben met mijn parapluutje naast me in de auto.

Stoere knapen zijn het, ferme meiden met voor mij, als absolute wereldkampioenen fietsen, de onvergelijkbare Hollandse moeders, oersterk en toch elegant op weg naar school of winkel, de jongste voorop, de oudste achterop, de voeten vastberaden op de trappers, de ogen waarschuwend bliksemend naar mij, daar in die auto, en dan, de prachtig dankbare glimlach als ik stop en wenk, ga maar, ‘tuurlijk, jij eerst, altijd. Ongeduldig wacht mijn gazelle in de schuur op mijn kont. Zullen we fietsen? oppert mijn vrouw. Blijft het droog? zeg ik. En daar gaan we, Hollands stel tussen honderdduizend andere Hollandse stellen. Nog net niet de fietsen achterop de auto. Ga nou gauw fietsen!


  • Facebook B&W