Vandaag gaat het over taal.


Sinds de invoering van de mail en de app heeft het schrijven onder onze bevolking een enorme vlucht genomen, maar dat wil nog niet zeggen dat er van schrijftaal sprake is. Schrijftaal vind je nog in de betere boeken en kranten en in de doodenkele brief van je nog niet aangesloten oom uit Nieuw-Guinea die tot je schrik op een dag op je deurmat ploft. De droevige mevrouw in sport jack die als postbode over straat gaat, is geneigd bij je aan te bellen, zo bijzonder vindt ook zij de envelop met handgeschreven adres. Voor het overige schrijven we tegenwoordig spreektaal en spreken we kromtaal. Geeft niet, want het gaat ons niet om de communicatie in de zin van communio, van elkaar begrijpen, maar om het onszelf uiten, kenbaar maken dat we er zijn, dat we bestaan. Als ik nou tik naar jou en jij tikt naar mij, dan zijn we iemand. Hoeven we ook niet meer te bellen, want dat geeft maar misverstanden, zeg maar. Geen andere uitdrukkingen zijn zo onuitroeibaar, massaal en oneigenlijk in onze taal binnen gedrongen als 'eigenlijk' en 'zeg maar'. Dat is eigenlijk wat ik met dit stukje wilde duidelijk zijn, zeg maar. Toch? En daarmee is dit stokoude stokpaardje eindelijk van me afgetikt!